Samenvatting Swanborn Case Study

Evalueren geeft een methodologische basis voor empirisch evaluatieonderzoek. De auteur bespreekt het evalueren van (overheids)interventies vanuit de algemene principes van en richtlijnen voor, wetenschappelijk onderzoek. Evalueren is niets bijzonders: we doen het iedere dag en overal. Evaluatieonderzoek is wel iets bijzonders.

Swanborn geeft allereerst een uitgebreide systematiek van soorten evaluatieonderzoek. Evaluatieonderzoek heeft alles te maken met beleid. Alle overheidsinterventies moeten wettelijk geëvalueerd worden. Evaluatieonderzoek is een vorm van praktijkgericht onderzoek dat vaak onder moeilijke omstandigheden gedaan moet worden. Dit boek geeft de onderzoeker, maar ook de praktijkman, een handvat voor het evalueren van (overheids)interventies.

Evalueren is geschreven voor studenten, aio's en sociaal-wetenschappelijk onderzoekers in allerlei beleidssectoren. Daarnaast is het boek bedoeld voor beleidsmedewerkers die zelf geen onderzoek uitvoeren, maar in hun werk te maken hebben met ontwerpen, begeleiden en evalueren van beleidsinterventies.

De literatuurbundel omvat de volgende teksten: Swanborn, P.G. (2003) Case-study’s, wat, wanneer en hoe? Boom: Amsterdam/Meppel. Hoofdstuk 2: Wanneer een case-study? Corbin, J. & Strauss, A. (2008) Basics of qualitative research. Sage: Los Angeles. Chapter 4: Strategies for qualitative data Analysis. Gorden, R. (1998) Basic Interviewing Skills, Long Grove: Waveland Press. Chapter 1: Overview. Chapter 2: Formulating relevant questions. Chapter 3: Formulating Motivating questions. Spradley, J. (1980) Participant observation, Harcourt Brace Jovanovich College Publishers: Forth Worth. Step one: Locating a social situation. Step two: Doing participant observation. Verschuren, P.J.M. (2003). Case Study as a Research Strategy: Some Ambiguities and Opportunities. International Journal of Social Research Methodology, 6 (2) 121-139 (18 blz.) P.G. Swanborn; Casestudy’s, wat, wanneer en hoe? Hoofdstuk 2: Wanneer een case-study? De omstandigheden, of redenen voor het kiezen van een case-study vallen uiteen in positieve en negatieve . De positieve overwegingen voor het kiezen van een case-study hangen samen met de aard van de probleemstelling. Elk onderzoek start met een probleemstelling. Ook bij een casestudy kunnen we niet volstaan met de bewering dat we geïnteresseerd zijn in een bepaald verschijnsel. Een probleemstelling is altijd in precieze bewoordingen geformuleerd. Zonder een probleemstelling zou de onderzoeker richtingloos doorgaan met het onderzoek. Er bestaan ook negatieve overwegingen, die niet zozeer samenhangen met de probleemstelling, als wel met de beperkingen van de situatie waarin we het onderzoek willen gaan doen. Is het geplande onderzoek bedoel als zelfstandig onderzoek, of gaat het om een voorbereidend onderzoek, een voor-onderzoek voor een ander, groter onderzoek? Is het een ‘academische’, theoriegerichte onderneming, of gaat het om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van één of meer praktijkproblemen? Zelfstandig onderzoek of voor-onderzoek? Een casestudy kan geheel op zichzelf staan, maar ook onderdeel uitmaken van een complex geheel van verschillende onderzoeksvormen en benaderingen in een groter project. Hierbij speelt een casestudy de rol van voor-onderzoek: mede op basis van de resultaten van een casestudy wordt een extensief onderzoek opgezet en uitgevoerd. De casestudy levert vaak specifieke kennis die het mogelijk maakt om andere instrumenten, zoals een vragenlijst, voor het hoofdonderzoek te ontwerpen. Een casestudy kan ook als na-onderzoek fungeren: nadat via een enquête een verschijnsel ‘in de breedte’ is afgebakend, wordt het via één of enkele cases ‘in de diepte’ onderzocht. In een theoriegericht onderzoek dient de verzamelden kennis primair om wetenschappelijke theorieën of te ontwikkelingen, of te illustreren, of te toetsen. In theoriegericht onderzoek zijn we niet zozeer, of alleen maar, geïnteresseerd in het verschijnsel bij de specifieke onderzochte case, maar het domein van de probleemstelling is ruimer: we willen de uitspraken die we op basis van de case doen kunnen generaliseren naar een grotere verzameling cases. De onderzoeker is vanaf het begin gespitst op de vraag welke concepten en variabelen van algemeen belang zijn; de specifiek gekozen cases is van ondergeschikt belang. Het streven is gericht op een zo groot mogelijk domein. Wanneer een ‘case’ wordt onderzocht om over een grotere verzameling iets te kunnen zeggen, spreken we van een pars-pro-toto-onderzoek. Indirect of onbedoeld kan er wel degelijk sprake zijn van een bijdrage aan (latere) theorievorming: allerlei descriptieve monografieën samen kunnen later door onderzoekers gebruikt worden in pogingen om tot een hoger algemeenheidniveau te komen. Bij praktijkgericht onderzoek kan het echter wel degelijk gebeuren dat we geen verdere generalisatiepretenties hebben dan het verschijnsel bij de onderzochte eenheid of eenheden. De verzamelende kennis moet voor alles nuttig gebruik kunnen worden a) Het veranderen van een stukje van de werkelijkheid: hetzij een individu, hetzij een organisatie, een lokale samenleving of welke groep of groepen dan ook b) Het ontwerpen van ‘artefacten’, dat wil zeggen pakketten van beleidsmaatregelen, materiële objecten zoals computer hard- en software, budgetsystemen of wat dan ook. We passen daarbij wel algemene theorieën toe, maar deze worden gebruik om concepten en variabelen te selecteren en om een interpretatiekader te bieden. Wanneer het domein van onze aandacht niet verder gaat dan de onderzochte case, spraken we van case-op-zich. In een praktijkgericht onderzoek wordt de verzameling ‘dragers’ van het verschijnsel meestal door een beleidsinstantie aangereikt, en scherp omlijnd. De onderzoeker heeft niet de mogelijkheid om naar willekeur de verzameling in te perken. Een geheel andere situatie treedt op wanneer de verzameling van eenheden in de probleemstelling (veel) breder is, maar het onderzoek plaats vindt bij een of enkele cases die evenals in theoriegericht onderzoek als pars-pro-toto-onderzoek fungeren. Positieve overwegingen: Welke eigenaardigheden van een probleemstelling leiden nu vaak tot het kiezen van een case-study? 1. De belangrijkste overweging bij het kiezen van een case-study is dat we gedetailleerde kennis wensen over het te bestuderen sociale verschijnsel, en wel door een proces in zijn natuurlijke omgeving gedurende een bepaalde periode te volgen. 2. Meer in het bijzonder willen we een beeld krijgen van de sociale relaties tussen betrokkenen in het systeem; met name willen we inzicht krijgen in hoe de achtereenvolgende sociale interacties, de daarop volgende beeldvorming omtrent het proces en het daarop volgende gedrag bij participanten, zijn verlopen. 3. We willen uitdrukkelijk aandacht besteden aan het vaststellen van uiteenlopende zienswijzen van participanten in het systeem op, en verklaringen van, het sociale verschijnsel dat we bestuderen. Ook streven we naar confrontatie met de beschrijvingen en verklaringen van de onderzoeker. Ten slotte proberen we tot verklaringen van de gevonden verschillen te komen. Voor praktijkgericht onderzoek geldt nog een aantal bijzondere overwegingen. 4. Zowel in theorie- als in praktijkgericht onderzoek hebben we te maken met beschrijvingsproblemen (‘wat is.. –vragen’) en verklaringsproblemen (‘hoe komt dat .. –vragen’). Daarnaast worden in theoriegericht onderzoeken voorspellingsvragen gesteld. In praktijkgericht onderzoek gaat het minder om voorspellingsproblemen, als wel om ontwerpproblemen, en het is in dit kader at casestudy’s gebruikelijk zijn. Een ontwerp kan een beleidsadvies zijn omtrent een bepaalde mix van te nemen maatregelen. In dergelijk onderzoek wordt, nadat allerlei beschrijvingsproblemen met betrekking tot de bestaande theorieën zijn opgelost, en nadat vervolgens met behulp van theorieën verklaring daarvoor zijn opgesteld, diezelfde theorieën gebruikt worden om de condities te specificeren waaronder een andere, gewenste, situatie waarschijnlijk kan worden gebruik. Die specificatie wordt neergelegd in een beleidsadvies, een maatregelenpakket, een ontwerp. In het algemene praktijkgerichte onderzoek spreken van we proces-of for – matieve evaluatie als de onderzoeker vervolgens in staat wordt gesteld om de realisering van zijn beleidsadvies met bijsturend onderzoek te volgen, liefst eert in een experimentele of kleinschalige ‘proef’ situatie. 5. In het bijzonder willen we via casestudy inzicht krijgen in de door participanten ervaren knelpunten en de oplossingen die hiervoor al dan niet gevonden zijn. Hiervan profiteren we om een optimaal ontwerp of een optimale beleidsstrategie op te stellen. 6. We willen bovendien – soms – een koppeling aanbrengen met agogische actie. dat betekent dat meningen en zienwijzen van verschillende betrokken belanggroepen niet allen met elkaar en met onze eigenbeschrijvingen en verklaringen geconfronteerd worden, maar ook meer op één spoor gebracht moeten worden. Hiermee probeert de onderzoeker de ‘neuzen dezelfde kant op te krijgen’. Negatieve overwegingen. Deze hangen samen met de beperkingen van de situatie. 1. Het verschijnsel dat we willen bestuderen kunnen we (nog) niet isoleren van zijn context. We kennen het verschijnsel onvoldoende; we zijn nog niet in staat aan te geven welke eigenschappen van de context relevant zijn, welke niet; we ‘kunnen er nog niet een adequaat model van bouwen’. 2. We kunnen het te onderzoeker verschijnsel niet willekeur, zoals in een psychologisch laboratorium, oproepen; denk aan relletjes of stakingen. Of we beschikken over een tal van ‘experimentele groepen’ maar niet over controlegroepen. Wanneer we door één va de genoemde omstandigheden, weinig of geen controle hebben over het object van studie, is een experiment uitgesloten. 3. Bepaalde verschijnselen zijn zeer zeldzaam – zoals bepaalde ziektebeelden of rampen. Tot de negatieve beweringen behoren ook enkele overwegingen van praktische aard. Het kan methodologisch wel eens meer voor de hand liggen om een enquête of experiment te organiseren, terwijl toch om redenen van geld en tijd een case-study wordt gekozen, of omgekeerd. Een onderzoeker verkeert niet altijd in de gelukkige situatie dat het meest geschikte alternatief gekozen kan worden. n waaronder een casestudy uitgevoerd wordt. Sommige onderzoekers hebben nu eenmaal een duidelijke voorkeur voor een grootschalig enquêtewerk, anderen doen niets liever dan zich binnen een sociaal systeem, een dorp, een ziekenhuis, etc. te verdiepen in het reilen en zeilen van dat systeem. Dit zijn subjectieve voorkeuren. Globale vragen: concrete vragen of hypothesen? Probleemstellingen laten zich niet indelen naar de aard van de vraag, maar ook naar de mate van precisie of volledigheid. Als we nog heel weinig weten van het object van studie, stellen we globale vragen. Beschikken we ten slotte over eerdere onderzoeksresultaten, neergelegd in een theorie, dan kunnen we zo’n concrete vraag al vooraf van een antwoord voorzien, en dient het onderzoek om het voorlopige vraagteken dat we achter dat antwoord hebben geplaatst, weg te werken. We spraken van een hypothese. De meeste van de positieve overwegingen om voor een casestudy te doen, wijzen in de richting van globale vragen, evenals de negatieve overwegingen: onvoldoende kennis van het verschijnsel. Bij het oplossen van globale vragen past een verkennend (exploiterende, oriënterende) onderzoeksbenadering. Men kan zich immers voorstellen dat explorerend en tastend een antwoord wordt gezocht op dergelijke globale hoe- en waarom-vragen. Een verkennende benadering betekent wel dat we ons sterk door de data- en dus ook door het toeval – laten leiden; dat we de onderzoeksprocedures zo weinig mogelijk vooraf vaststellen; dat geleidelijk gepoogd wordt allerlei waarnemingen te herleiden tot een beperkt theoretisch begrippenkader en –model, dat eventueel in vervolgonderzoek bij andere cases getoetst kan worden. De ontwikkeling van een theorie op basis van onderzoek bij één case (enkele) kan uiteraard niet meer dan een startpunt zijn; bij andere, soortgelijke cases zal toetsing moeten plaatsvinden. (gefundeerde theorie / case-laws) Het is echter ook zeer vaak mogelijk om een case-study aan te vangen met een reeks van heel concrete vragen in het achterhoofd. Met name is dit het geval wanneer casestudy’s worden verrichting en organisaties, naar de wijze waarop oor een organisatie een of andere innovatie wordt verwerkt, of een nieuw curriculum van school. Het is zelfs mogelijk om een casestudy met een hypothese te beginnen. Het is een probleemstelling in de vorm van een vraag die al van antwoord is voorzien. Hierbij moet men het antwoord gaan toetsen. In hypothesetoetsend onderzoek worden theoretische model, variabelen, dataverzameling en analyseprocedures vooraf vastgelegd. Vooraf is ook vastgelegd welke dataconfiguratie wijst op ‘confirmering’ en welke op ‘weerlegging’. Corbin & Strauss; Chapter 4: Strategies for qualitative data Analysis. Het doel van dit artikel is een aantal analytische strategieën geven die de auteurs van dit artikel hebben gevonden om data te begrijpen. Deze strategieën worden gebruikt als analytische middelen om het proces te stimuleren en om zo alle aangereikte data te kunnen begrijpen en specificeren. Analytische middelen helpen onderzoekers om:  Afstand te doen van de technische literatuur en afstand te doen van persoonlijke ervaringen die in de weg zou kunnen staan bij het zien van nieuwe mogelijkheden in de data.  Het stimuleren van het inductieve proces  Het openstaan voor verduidelijking en ontmaskering van aannames van onderzoekers en participanten  Het luisteren naar wat mensen zeggen en doen Er zijn veel verschillende analytische strategieën, waarvan twee de voornaamste zijn. 1) The use of questioning Het is in ieder onderzoek erg van belang om goede vragen te stellen. Het stellen van goede vragen zorgt ervoor dat de onderzoeker: Voorlopige antwoorden kan formuleren Aan ‘outside the box’ thinking kan doen, dus dat je anders denkt dan normaal, dus vanuit een nieuw perspectief. Bekend worden met de data Het stellen van vragen is belangrijk in ieder stadium van het onderzoek. Zo helpt het stellen van vragen onderzoekers bijvoorbeeld wanneer ze moeilijkheden hebben bij het starten van hun onderzoek. In het artikel zijn een viertal type vragen gecategoriseerd om data te analyseren, namelijk: Sensitizing questions: deze verduidelijken voor de onderzoeker wat de data aangeeft. Bijvoorbeeld: Welke actoren zijn er bij het onderzoek betrokken? Theoretical questions: deze helpen de onderzoeker bij het zien van processen en het maken van overeenkomsten tussen concepten. Bijvoorbeeld: hoe veranderen de gebeurtenissen en acties door de tijd heen? Practical questions: dit zijn vragen die zorgen voor een richting van theoretische sampling, dus van een steekproeftrekking, en die helpen met het ontwikkelen van een structuur van de theorie die gevormd wordt. Bijvoorbeeld: Waar, wanneer en hoe kan ik de data verzamelen voor mijn theorie die ik aan het vormen ben? Guiding questions: dit zijn de vragen die onze interviews, observaties en het analyseren van deze leiden. 2) Making comparisons (maken van vergelijkingen) Constante vergelijkingen Het vergelijken incidenten om data te classificeren. Incidenten die conceptueel hetzelfde zijn worden gegroepeerd onder een hoger level descriptief concept. Deze manier van vergelijken is essentieel voor alle analyses omdat het de onderzoeker mogelijk maakt om verschil te maken tussen categorieën en thema’s en om specifieke eigenschappen en dimensies per categorie of thema te identificeren. Theoretische vergelijkingen Als de onderzoeker onzeker is over het classificeren of niet in staat het incident te definiëren in termen van eigenschappen en dimensies maakt hij de overstap naar theoretische vergelijkingen. We vergelijken nog steeds incident met incident maar gebruiken hier incidenten vanuit onze eigen ervaring. Mensen bouwen voort op wat ze weten om dingen te begrijpen die ze niet weten. In dit geval ontdekken ze gelijkenissen en verschillen tussen objecten en kunnen op deze manier definiëren. Als we concepten bestuderen willen we weten wat er uniek aan is. Theoretische vergelijkingen assisteren dus de onderzoeker bij het bereiken van een definitie van of begrip over een fenomeen door te kijken naar eigenschappen. 3. Variërende betekenissen van een woord. Vaak komt het voor wanneer je iemand interviewt, dat je denkt te weten wat diegene bedoelt. Maar wanneer je er thuis nog eens naar kijkt komt je erachter dat je toch niet begrijpt wat er gezegd werd. Dit betekend niet dat je voortaan een betekenis van ieder vaag woord moet gaan vragen. De onderzoeker moet selectief zijn over welke woorden hij dieper op in gaat. Wanneer dit niet meer kan, gaat men brainstormen naar alle en de meest vergezochte mogelijkheden. Daarna streep je de meest onwaarschijnlijke en niet relevante voor de data door. Bij een onbekend woord in een artikel tegenkomt : artikel scannen, opschrijven van mogelijke betekenissen, samenhangende woorden in het artikel zoeken. Gebruik van de Flip-Flop Techniek Bij de Flip-Flop Techniek kijkt men van binnen naar buiten of van boven naar beneden naar een woord of zin, dit om zo een ander perspectief te krijgen. Hierbij ga je vragen anders stellen om een betekenis aan het woord te geven. Waving the red flag Bepaalde woorden, zoals nooit en altijd, zijn signalen voor onderzoekers om die data beter te gaan bekijken. We moeten ons dan afvragen wat er daar gaande is. Want wat wordt bedoelt met nooit of altijd? Als het nooit is, onder wat voor condities is dit dan? We moeten ons afvragen onder welke condities de regels waarschijnlijk gebroken worden of behouden blijven. Looking at Language Men kan taal op verschillende manieren gebruiken. Taal is vaak erg krachtig en beschrijvend, het is de moeite om er aandacht aan te besteden, dit omdat het veel inzicht kan geven in de mensen die we bestuderen en waar ze vandaan komen. Other Analytic Tools Onderzoekers kunnen ook vragen gaan stellen om zo meer informatie te verkijgen. Vragen als “What if?” en “So what?” zijn hierbij belangrijk om dieper op vertakkingen van het onderwerp in te gaan. Meerkeuzevraag: Wat voor type vraag is dit: ‘Welke concepten zijn er al ontwikkeld over het onderwerp en welke nog niet’? A. Theoretical question B. Practical question C. Guiding question D. Sensitizing question Gorden (1998); chapter 1,2,3 Basic interviewing skills Chapter 1 Overview Interviewen: een conversatie tussen twee mensen waarbij de ene persoon probeert het gesprek te leiden met als doel de juiste informatie te verkrijgen. Deze definitie gaat over de informatievoorziening, maar interviewen kent andere doelen: overtuiging, instructie en emotionele ondersteuning. In de definitie staat het woord ‘conversatie’ centraal. 1. Veel van de relevante interactie is non-verbaal. 2. Een meer technische vraag kan suggereren dat een interview een kunstmatige vorm is van communicatie, waarin de natuurlijke ‘sound’ van de conversatie ontbreekt of waarin er geacteerd wordt. 3. Interviewen is dus meer een conversatie dan een vorm van ondervragen. Interviewing learned Vroeger geloofden mensen niet dat het zin had om iemand te leren hoe je moet interviewen, mensen werden geselecteerd. Tegenwoordig is men van mening dat er wel wat kan worden geleerd door ervaringen. The skill learning cycle 2. Doing Stel de vraag. Luister naar de reactie Observeer de respondent Evalueer het antwoord Herhaal (probe) het antwoord Schrijf het antwoord op 1. Planning 3. Analyzing formuleer relevante vragen Analyseer je eigen gedrag stel motiverende vragen Codeer informatie zorg voor een communicatieve atmosfeer meet de betrouwbaarheid Reflecteer en herhaal de cirkel De effectiviteit van het toepassen van deze cirkel is groot. Voor interviewers is het goed om andermans interviews te analyseren, dan om interviewen te leren zonder analyse. De meest effectieve manier om interviewen te leren is door performance te combineren met een analyse van iemands eigen interview! De planningsfase is van belang, vanwege zijn vitale relatie met de ‘doe & analyseer’ fase. De planning fase is gerelateerd aan het mentale proces van evaluatie van de relevante antwoorden (fase 2). In elke stap van de cirkel staan de volgende doelen centraal: maximaliseer de relevantie, validiteit en houd de verkregen informatie goed in het oog. Planning Deze fase gaat er vanuit dat je alleen start met een aantal problemen en doelen. Formuleren van vragen (hst. 2) zorg voor relevantie t.o.v. de doelen 1. Stel duidelijke doelen op 2. Vertaal elk doel in specifieke punten van informatie die je nodig hebt 3. Vertaal deze punten in vragen Formuleren van motiverende vragen  de respondent moet bereid en gemotiveerd worden om de vraag te beantwoorden. Doing Deze fase wordt veel gebruikt. Soms maakt iemand anders dan de interviewer de vragen, maar voor het doel van de planning fase is het beter als dezelfde persoon de planning maakt en het interview afneemt. Verder worden er in dit stukje beschrijvingen gegeven van de inhoud van de volgende hoofdstukken, die wij niet hoeven  kort weergegeven Stel de vraag: let op non-verbale factoren en bereidheid om te antwoorden Luister naar de reactie: actief en intellectueel proces, probeer te ontdekken wat de ander bedoelt Observeer de respondent: lichaamstaal, let op discrepanties met verbaal gedrag. Evalueer het antwoord: antwoord draagt bij aan doel? Is het wel valide en compleet genoeg? Herhaal (probe) het antwoord: geen goed antwoord op vraag? Nogmaals antw: validiteit verhogen Schrijf het antwoord op Analyzing De analyse fase is cruciaal voor het leren interviewen. Voordat een tweede interview kan worden afgenomen, moeten eerst de resultaten van het eerste interview kritisch worden bekeken. Twee hoofdaspecten: 1. Het objectief analyseren van iemands interview gedrag en 2. Het evalueren van alle verkregen informatie. Wanneer dit niet gedaan wordt, gaat men er misschien onbewust vanuit dat het interview goed is gegaan, valide is, terwijl dit niet zo hoeft te zijn. Analyseer je eigen gedrag Codeer informatie en neem het op! Zo kun je dingen onthouden en heb je het opgeslagen. Meet de betrouwbaarheid Samenvatting: p. 43! Chapter 2 Formulating relevant questions Een goede vraag heeft 2 kenmerken: 1. Het moet aansluiten bij het doel van het interview. 2. De motivatie om te antwoorden moet maximaal zijn. Wanted – relevant questions Interviewers worden specifieke technieken aangeleerd. De focus ligt op het verkrijgen van informatie over de precieze natuur en de doelen van het interview moeten helder zijn geformuleerd. Alleen een ervaren persoon kan snel een bepaald type probleem herkennen dat te maken heeft met formuleringen. Gebrek aan relevantie is hier een voorbeeld van. Irrelevantie van vragen kan ontstaan doordat een begrip niet goed is gedefinieerd, vb. Effectiviteit. Relevante vragen; let op de volgende 3 fasen: 1. Heldere interviewdoelen 2. Specifieke informatie die nodig is om deze doelen te bereiken 3. Het formuleren van concrete vragen die ontworpen zijn om de juiste informatie te verkrijgen 1. Heldere interviewdoelen Wanneer de doelen simpel zijn, wil het niet zeggen dat je niet meer zorgvuldig hoeft te kijken naar de interviewvragen. Doelen kunnen te maken hebben met een sociaal probleem van een gemeenschap of een organisationeel probleem. Zie tekst voor een voorbeeld! Blz. 45! Bij het verhelderen van de doelen van ieder interview, vermijdt dan het extreme geval van teveel vragen stellen in een ‘single interview’ en vermijdt het te nauw definiëren van het probleem. 2. Specifieke informatie die nodig is om deze doelen te bereiken Twee stappen zijn belangrijk in het onderscheiden van informatiecategorieën. 1. een ‘usability test’: vraagt zich af hoe de informatie wordt gebruikt om de doelen van het interview te bereiken. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen informatie die je vraagt vanwege nieuwsgierigheid en informatie die je echt nodig hebt. 2. het precies definiëren van alle belangrijke concepten in de doelstelling. Denk bijvoorbeeld aan het woord familie, dit is een dagelijks begrip, maar iedereen definieert het op een andere manier. Het is dus juist van groot belang om een begrip als dit ook te definiëren. Wanneer deze twee stappen worden meegenomen in het proces, zijn relevante vragen de uitkomst. 3. Het formuleren van concrete vragen Een onervaren interviewer zal de respondent vertellen welke informatie hij nodig heeft, maar dit is vaak een onproductieve methode. Bij het begin van het interviewen draait het erom dat er een groot verschil bestaat tussen wat je wilt weten en hoe je dat moeten vragen. Deze algemene vraag kan verder worden opgedeeld in kleinere, meer specifieke vragen. Wanneer het centrale onderwerp/topic wordt opgedeeld, moet de interviewer er wel rekening mee houden dat hij de kern van de vraagstelling in zijn achterhoofd houdt. Vb. wanneer je wilt weten waarom iemand kiest voor een bepaalde school, is het van belang om te weten wat de achterliggende oorzaken zijn waarom iemand kiest om naar een bepaalde school te gaan. Zo kan je bijv. vragen naar de ervaringen van de respondent, voordat hij naar school ging. Je mag hierbij gerust een lange aanloop nemen (zie ook HC5, eerst feiten, dan heden, ervaringen, wensen). Een andere bron van irrelevantie voor vragen is: is een vraag die niet aansluit bij de begripsdefinitie die wordt gebruikt in het onderzoek. Een andere bron van irrelevantie is een vraag die doelt op de verkeerde dimensie van de menselijke ervaring. Dimensies van ervaringen zijn: acties, gedachten en gevoelens. Kortom, de irrelevantie van vragen kent 3 duidelijke bronnen: 1. Een focus op de verkeerde tijdsperiode 2. Een focus op het verkeerde (ongerelateerde) topic 3. Een focus op de verkeerde dimensie van menselijke ervaring Chapter 3 Formulating motivating questions Motiveren betekent dat je de respondent bereidwillig maakt en in staat stelt je de informatie te geven waar je naar op zoek bent. In de planningfase wordt de motivatie geoptimaliseerd door het selecteren van de juiste verbale vormen. In de doefase wordt dit gecombineerd met non-verbale vormen. Dit hoofdstuk gaat alleen over de verbale vormen. Wanneer de persoon wel in staat is- maar niet bereidwillig of wel bereidwillig- maar niet in staat, dan kan het resultaat een gebrek zijn aan validiteit en incomplete informatie. Maximizing facilitators and minimizing inhibitors Inhibitors: ego-gedrag en vergeetachtigheid Facilitators: herkenning en empathie Minimizing ego threat Ego bedreiging wordt gezien als een grote barrière van de stroom van complete en valide informatie. Je hebt vast wel eens meegemaakt dat je een vraag wordt gesteld die je liever niet wilt beantwoorden onder bepaalde omstandigheden. Hoe kan een ‘ego bedreiging’ worden verkleind bij het construeren van een vraag? 1. Vermijdt de formulering van een vraag waarbij de respondent het idee heeft dat hij alleen staat. 2. De vraag kan vooraf worden gegaan door een contextuele opmerking, zodat de interviewer aangeeft dat hij zich bewust is van het feit dat…. [vb. het kiezen van een school iets heel complex is en dat er veel factoren zijn die van invloed zijn geweest op die keuze]. Alle woorden die na de ‘contextual preface’ worden gebruikt moeten géén woorden als: keuze, kiezen en selecteren zijn. 3. De interviewer moet wat ‘intentionally loaded questions’ in reserve houden voor punten waarop de interviewer de respondent ervan verdenkt dat hij een perfect plaatje van volledige onafhankelijkheid en rationeel denken schetst. Minimizing forgetting Het menselijke brein is gedoemd om dingen te vergeten. Daarom is het tijdens interviews belangrijk dat je de respondent helpt bij het schetsen van een soort van biografie, in logische volgorde. Wanneer de respondent qua tijdspad alles op een rij heeft, zal hij meer vertellen en zich dus meer herinneren. Aan het begin van het interview is het dus goed om enkele vragen te stellen die de persoon aan het denken zetten. Maximizing recognition Vb. waarom gaan studenten wel naar college X en niet naar college Y. Een manier om de respondent herkenning te geven is door uit te leggen dat hij bepaalde unieke kwalificaties heeft die nodig zijn om het hele college- selectieproces te begrijpen. Een andere manier is om de respondent te prijzen voor een bepaalde vraag. vb. Jeetje, wat onthoud jij veel details/ Ik weet dat deze vragen lastig zijn, maar je beantwoordt ze zonder problemen. Maximizing empathy Uitdrukkingen van empathie door de interviewer, zorgen ervoor dat ego bedreiging wordt voorkomen. Het gebeurt om 3 niveaus: 1. empathie kan worden uitgedrukt door het geven van een ‘contextual statement’, zelfs voorafgaand aan het interview. 2. interviewers kunnen empathie vertonen door een meevoelend/meelevende opmerking te maken voorafgaand aan een bepaalde vraag. Vb. de interviewer kan interesse tonen in obstakels en problemen van de respondent. 3. de interviewer kan empathische reacties geven op antwoorden die de respondent geeft; vb. dat moet een vreselijke situatie zijn geweest/ hoe voelde je je toen dat werd gezegd? In de planningfase, zijn dit allemaal tools die de interviewer kan gebruiken om ‘inhibitors’ te minimaliseren en ‘exhibitors’ te maximaliseren. Basic verbal forms and contexts of questions Providing verbal contexts De verbale context is een statement (verklaring), tegenovergesteld aan een vraag, dat gebruikt wordt om een of enkele vragen in een bepaalde context te gieten, om de vraag helderder te communiceren richting de respondent, of om de respondent te motiveren om de vraag te antwoorden. Het gevaar van raden kan worden vermeden door dezelfde vraag te stellen nadat een contextuele statement een werkdefinitie van het begrip heeft gegeven. Hiermee wordt de relevantie van de vraag vergroot, omdat de respondent enigszins gestuurd/geholpen wordt bij zijn antwoord. Een tweede functie van de contextuele statement is het verschaffen van een tijdsperspectief. Merk op, dat de contextuele statement er zorg voor draagt dat het beeld van de respondent over het heden en verleden niet vertekent. Een derde functie is het verschaffen van een ‘spatial perspective’ op de vraag die volgt. Dit is een speciale vorm van het geven van een definitie. Een vierde functie is het geven van feiten die nodig zijn voor een geïnformeerd oordeel van de respondent. Soms wil je namelijk de relatie weten tussen de kennis en opinie van een persoon. Selecting appropriate vocabulary Vier basis criteria die kunnen helpen bij het determineren van de beste woordkeus bij het verwoorden van de vraag zijn: 1. De woorden moeten helder te begrijpen zijn voor de respondent 2. De woorden moeten duidelijk het verschil aangeven tussen rolrelatie van de respondent en interviewer 3. De woorden moeten zo worden gekozen dat de respondent kan antwoorden zonder het schenden van de etiquette van de situatie 4. Woorden moeten niet geladen zijn, gebruik geen onbedoelde ladingen. Om een goed interview af te nemen moet de interviewer bekend zijn met het onderwerp en moet hij het type respondent kunnen inschatten. Using words that are clearly understood Een incorrect gok komt niet altijd duidelijk naar voren in het antwoord van de respondent, dus de interviewer kan zich dan niet bewust zijn van een misinterpretatie en een invalide antwoord. De meest praktische oplossing hiervoor is het gebruik van simpele, directe en algemeen begrijpelijk woorden. Deze benadering is vooral van belang bij een aselect gekozen steekproef, omdat je dan mensen hebt met diverse achtergronden. Using words that establish a proper role relationship Het gebruikte vocabulaire kan de interviewer markeren als een insider of outsider in de ogen van de respondent. Als het onderwerp van het interview gaat over iets waar de respondent feeling mee heeft, zal hij zich vrijer voelen om te discussiëren met insiders. Wanneer de respondent zich vrijer voelt om met een buitenstaander het onderwerp te bespreken, moet een outsider vocabulaire worden gebruikt. Bij het gebruiken van insider taalgebruik al de respondent zich gemakkelijk voelen, omdat de interviewer kennis schijnt te hebben van het leven en hij zal dus niet schrikken van bepaalde eerlijke antwoorden. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat outsider taalgebruik beter is. Bijv. Wanneer een patiënt praat met zijn arts. De dokter moet dan geen medische termen gebruiken. Providing words needed for the answer Zorg ervoor dat de respondent zich op zijn gemak voelt, door het goede taalgebruik toe te passen. Dit principe kan ook de vorm aannemen van MC vragen met de vocabulaire voor elke vorm van gedrag. De respondent heeft zo de keuze, Avoiding unintentionally loaded questions Geladen vragen zijn niet altijd toegestaan. Wanneer er een geladen vraag wordt gesteld, gebeurd dit meestal onbewust. Het is dus belangrijk om de verschillende manieren te kennen waarop een vraag geladen kan zijn: Emotionele woorden gebruiken, met positieve of negatieve connotaties Slechts 1 kant of 1 richting noemen terwijl er eigenlijk meerdere kanten en richtingen zijn Het suggereren van een bepaald specifiek antwoord Het geven van een verborgen argument, of in een ‘contextual statement’ of in de vraag zelf, dat een van de mogelijke antwoorden ondersteunt. Choosing between broad and narrow questions Er zijn vier dimensies van het bereik (scope) van een vraag die breed of smal kunnen zijn: de actor, de actie, de relaties en de scene (plaats, setting, occasion). Vb. Did John did it? Or Who did it? Het is belangrijk dat we niet onnodig de scope van een vraag gaan beperken, wanneer we niet van tevoren weten wat alle mogelijkheden per dimensie of per vraag zijn. We moeten dus oppassen met het formuleren van beperkende assumpties van een vraag, welke ervoor zouden zorgen dat we misschien niet ontdekken wat er daadwerkelijk is gebeurd. Value and limitations of broad questions In het algemeen zijn brede vragen het meest gebruikelijk in de explorerende fase. De interviewer weet dan nog niet wat de specifieke vragen zijn voor bepaalde ervaringen van de respondent. Associatie  smalle/ nauwkeurige vraag Wanneer je de vocabulaire van een respondent wilt achterhalen  encompassing questing Chronologische volgorde achterhalen  brede/ algemene vraag Je kunt de waarde van brede vragen ook zien in de mate waarin het de respondent motiveert. Als het onderwerp erg werkelijk (real) en belangrijk is voor de respondent, zijn brede vragen aan het begin van het interview en aan het begin van elk deelonderwerp van belang. Voordelen van ‘broad questions’ voor motivatie 1. de respondent kan zijn eigen pad volgen van vrije associatie 2. als de interviewer de ruimte geeft om te praten, kan de respondent dit in vrijheid doen 3. het verkrijgen van catharsis (reiniging, loutering)  ? 4. de vraag kan tactisch worden ingezet wanneer het interview vraagt om specifieke feiten die ego bedreigend kunnen zijn voor de respondent om toe te geven. Brede vragen zijn gebruikelijk wanneer het onderzoeksdoel exploreren is of wanneer de nadruk ligt op het onthullen van het perspectief van de respondent op gebeurtenissen. Ook kan de brede vraag zorgen voor vrije associatie, het geven van herkenning, om als interviewer sympathisch te luisteren en het vermijden van vragen die ego bedreigend kunnen zijn. Nadeel: je verzamelt veel data, waarvan veel informatie irrelevant is. Nadeel: brede vragen falen er in om specifieke relevante items van informatie te verkrijgen, wanneer er niet wordt doorgevraagd. Value and limitations of narrow questions Deze vragen kunnen beter zijn dan brede vragen, maar er moet dan wel aan een aantal belangrijke condities worden voldaan. Je moet van te voren precies weten welke informatie nodig zijn om de doelen te bereiken. Je moet genoeg weten over het onderzoeksonderwerp en de relatie van de respondent met het onderwerp. Dan pas kun je bepalen wat toepasbaar is en wat niet. Voordelen 1. het is makkelijker om specifieke vragen te beantwoorden dan een verhaal te vertellen. 2. Je kunt gemakkelijk alle specifieke relevante informatie aan bod laten komen. 3. Het is makkelijk om cross-checks uit te voeren en zo de accuraatheid te checken. 4. Het is makkelijk om kwantitatieve data te verkrijgen. Veel interviews zijn een combinatie van smalle en brede vragen. Brede vragen ter introductie, dan smalle vragen per deelonderwerp. Choosing between open-ended and closed-answer questions Vragen met een gesloten antwoord, hebben de volgende condities om aan te voldoen: 1. De interviewer moet het onderwerp zo goed kennen dat hij vooraf alle antwoordcategorieen kan bepalen. 2. De antwoordcategorieen moeten aansluiten bij de doelstelling en de nature van de werkelijkheid die onderzocht wordt. 3. De categorieën moeten de respondent wat zeggen Een valide manier om het probleem van omissie (weglating) op te lossen is door te beginnen met explorerende open-eind vragen. De interviewer kan de range van mogelijke antwoorden ontdekken en dan de vragen met gesloten antwoorden ontwerpen, plus de ‘categorie overig’. Gesloten antwoord vragen hebben een aantal voordelen t.o.v. open antwoorden: Spaart tijd Helpt de respondent, minder vergeten Geeft de chronologische volgorde Vermindert de ego bedreiging Fout  antwoord op een ja/nee vraag, voorkomen! Dit kan namelijk het beeld van respondent vertekenen: Je stuurt aan op liking/disliking  loaded questions Je vindt het leuk of niet i.p.v. dat je vraagt naar positieve en negatieve reacties Je vermijdt de mogelijkheid dat de respondent geen voorkeur heeft Choosing between direct and indirect questions De hpyothetische vraag heft als voordeel dat de respondent de vraag kan beantwoorden zonder ‘ego threat’. Een andere vorm van indirect vragen stellen kan ook door niet naar het gedrag van de persoon zelf, maar naar het gedrag van anderen te vragen. Of de respondent verder gaat dan alleen het hypothetische antwoord hangt af van de reactie van de interviewer. Using intentionally leading/loaded questions Soms is het beter om een geladen vraag dan een neutrale vraag te stellen. De volgende vier condities geven een beter resultaat in het geval van een geladen vraag (i.p.v. Een neutrale vraag). Relevante informatie moet helder zijn voor de respondents gedachten De respondent moet geen informatie achterhouden De vraag moet geladen zijn in de sociaal onacceptabele richting, soms is deze richting niet duidelijk. Dat maakt het toepassen lastig. De geladen vraag moet gevolgd worden door ‘probes’ Geladen vragen kunnen nuttig zijn als ze op de juiste manier, onder de juiste condities worden gesteld. Ze moeten nooit onbedoeld zijn! Spradley (1980); Participant observation Step 1: Locating a social situation Een sociale observatie kan getypeerd worden door drie kenmerken: plaats, activiteiten en personen. Place Op elke locatie waar mensen zijn en activiteiten plaatsvinden, kan observatie plaatsvinden. Actors Op de locatie bevinden zich mensen die een rol aannemen in een bepaalde situatie. Om te observeren is het van belang om de rollen van verschillende actors te onderscheiden. Zo is een buschauffeur, in een bus een werknemer, maar in de kroeg is het een klant. Later in een observatie kunnen verschillende typen actoren worden bepaald. Uitleg. Echter is het toekennen van typen niet noodzakelijk, het is genoeg om te weten dat aanwezige mensen actoren zijn. Activities Een activiteit is wat de actoren in een sociale situatie doen. Wanneer een set van activiteiten met elkaar verbonden is, wordt het een event genoemd. Losse handelingen die een activiteiten vormen, zoals boodschappen doen. Het beste is om tijdens een observatie de verschillende activiteiten te noteren die plaats vinden in de sociale situatie. 3 manieren waarop sociale situaties gerelateerd kunnen zijn aan elkaar. 1. Cluster of social situation Hierbij worden acties samengevoegd omdat ze op dezelfde plaats plaatsvinden. Zo kan het zijn dat kinderen die in het park spelen worden geobserveerd. Deze actie is echter gerelateerd aan moeders die een bankje zitten te praten, wandelaars in datzelfde park. Er gebeuren dus meer activiteiten in de sociale situatie dan dat de observator wil waarnemen. Deze activiteiten kunnen niet genegeerd worden en zal dus rekening mee gehouden moeten worden. 2. Network of social situations Wanneer observatie plaatsvindt bij een groep mensen tijdens een bepaalde activiteit, moet er rekening mee gehouden worden dat deze groep ook andere activiteiten samen onderneemt. Zoals de Bijbelclub die samen Bijbelboeken leest, maar ook samen naar de Kerk gaan. Deze mensen delen een netwerk van sociale situaties. 3. Social situations with similar activities Hierbij wordt een activiteit op meerdere locaties geobserveerd. Zo kan de activiteit “zwemmen” in een zwembad worden waargenomen, maar ook in een zee, meer of vijver. Met een aantal punten moet rekening gehouden worden tijdens een observatie: 1. Simplicity Door het kiezen van één sociale situatie en niet meerdere, blijft observatie overzichtelijk voor beginners. 2. Accessibility De sociale situatie moet toegankelijk zijn voor de observatie. Zo is het Koninklijk huis, niet tot nauwelijks toegankelijk voor observatoren. De kantine van een middelbare school is daarentegen wel toegankelijk. 3. Unobtrusiveness Dit gaat over de zichtbaarheid van de onderzoeker. In bepaalde situaties heeft de aanwezigheid van de observator invloed op het gedrag en de acties van de geobserveerde. Wanneer een bank weet dat er wordt onderzocht op klantvriendelijkheid, zal deze zich klantvriendelijker gedragen als de bank weet dat er geobserveerd wordt. 4. Permissibleness Dit is de mate waarin toestemming wordt gegeven om te observeren. Hierbij zijn drie types te onderscheiden:  Free entry: onderzoek zonder dat toestemming nodig is. Zo kan een observator naar het strand gaan om te observeren, zonder hiervoor om toestemming te vragen.  Limited entry: er is permissie nodig van één of meerder personen voordat de observator begint met observeren. Zo moet in een school toestemming zijn van de directeur en leraar, om te mogen observeren.  Restricted entry: bij dit soort situaties is het erg moeilijk of zelfs onmogelijk om toegang te krijgen. Voorbeelden hiervan zijn: criminele bendes, geheime verenigingen. 5. Frequently recurring activities Bij het observeren van gedrag kan dit niet gedaan worden bij één of enkele personen. Om valide uitkomst te krijgen, moeten grote groepen actoren onderzocht worden. 6. Participation Bij participatie wordt verder gegaan dan alleen observatie. De observator wordt betrokken in de activiteit en wordt zelf een actor in de sociale situatie. In het volgende hoofdstuk wordt hier verder op in gegaan. Step 2. Doing participant observation Ordinary participant vs. Participant observer Bijna alle mensen gedragen zich als ordinary participant. Zodra we in een ‘vreemde’ omgeving zijn, nemen we de gewoontes en gedragingen van anderen over. 6 verschillen tussen deze 2 types. 1. Dual purpose De participant observer komt naar een sociale situatie met 2 doelen: 1) om mee te doen aan de activiteiten die zich in de sociale situatie voordoen en 2) de activiteiten, mensen, en psychische aspecten van de situatie observeren. De ordinary participant komt alleen naar een sociale situatie om mee te doen aan de activiteiten. 2. Explicit awareness Een ordinary participant houdt zich niet bezig met alles wat er om hem heen gebeurd. Dit kun je ook niet allemaal observeren. Als mensen proberen alles om hun heen te noteren is er sprake van overload. Dat refereert naar het onvermogen van een mens om alle inputs van een omgeving in zich op te slaan. We merken alleen de dingen op die we willen zien. We blokkeren de onnodige informatie vanuit een omgeving. De participant observer daarentegen probeert dingen die we normaal blokkeren op te merken. Het verhogen van je oplettendheid neemt jaren van training in beslag, Je moet alle jaren van selective inattention, het niet zien/horen van dingen achter je laten. 3. Wide-angle lens We zijn allemaal observeerders, ook wanneer we ons gedragen als een ordinary participant. Maar wat we zien en horen blijft gelimiteerd, omdat we niet alles waar kunnen nemen of waar willen nemen. Voor een participant observer zijn de meest ‘onnozele’ gebeurtenissen om hem heen belangrijk. de ordinary participant ziet/hoort de dingen vaak ook wel, maar slaat ze niet op in zijn geheugen, omdat the niet belangrijk is. 4. The insider / outsider experience De ordinary participant ziet sociale situaties als ‘normaal’. Ze bekijken wat er om hen heen gebeurd, ze doen bepaalde activiteiten. Kortom ze zijn insiders. Ze nemen deel aan de activiteiten, ze maken er deel vanuit. De participant observer aan de andere kant, is zowel een insider als een outsider. Hij doet mee aan de activiteiten die er plaatsvinden, maar probeert ze ook te observeren. 5. Introspection Bij het uitvoeren van normale activieiten, zoals het oversteken van een weg of het halen van drinken, worden we niet echt introspectieve (=op de weg van de innerlijke, zelfbeschouwend). We doen deze activiteiten met een minimale referentie naar onze innerlijke gevoel. Wanneer er echt iets onverwachts gebeurt, zoals een auto-ongeluk, bevinden we ons in een grotere introspection. Een participant observer moet zijn introspectiveness vergroten. Ze moeten leren zichzelf te gebruiken als een onderzoeksinstrument. 6. Record keeping De participant observer noteert alle objectieve gebeurtenissen en subjectieve gevoelens. Dit doet de ordinary participant niet. Types van participation Een belangrijk punt hierbij is de mate van betrokkenheid, zowel met mensen als in de activiteiten die ze observeren. Degree of involvement Type of participation High Complete Active Moderate Low Passive No involvement Non-participation Non participation: De observeerder neemt niet deel aan de activiteiten binnen de sociale situatie. Hij observeert alleen. Het is mogelijk om data te verzamelen door alleen te observeren. Passive participation: De observeerder is aanwezig bij de actie, maar participeert of praat/contacteert niet met andere mensen. Hij hoeft alleen een ‘observation post’ te vinden en vanuit daar te noteren wat hij observeert. Wanneer hij een rol speelt in een observatie is hij slechts een bijstander (nietsnut). Dat wil zeggen dat de onderzoeker wel aanwezig is in het veld maar niet deelneemt aan activiteiten of interacties. Moderate participation: De derde vorm waarbij de onderzoeker een balans zoekt tussen insider en outsider en tussen participatie en observatie Active participation: Dit is de vorm waarbij de onderzoeker doet wat andere mensen doen, niet alleen om geaccepteerd te worden, maar ook om de cultuur te leren kennen. Hij begint met een observatie, maar zodra hij meer weet over wat de anderen doen, probeert de observeerder dezelfde gedragingen uit te voeren. Complete participation: Hierbij is sprake van het hoogste niveau van involvement, wat wil zeggen dat het onderzoek plaatsvindt in een situatie die bekend is voor de onderzoeker en waarbij hij of zij volkomen opgaat in de cultuur. P.J.M Verschuren (2003); Case study as a research strategy: some ambiguities and opportunities Veel onderzoekers zijn van mening dat de case-study een slechte methode van onderzoek is, omdat het slechts een verhaal doet over één geval en van slechte kwaliteit is. Dit artikel bestrijdt de misconcepties over een casestudy en wil het definiëren als een onderzoeksstrategie op zich zelf. Verschillende aspecten van een case study die niet helemaal duidelijk zijn. 1. Object van de case study. Dit is meestal één enkele case, tijdsgebonden, psychisch of sociaal gelimiteerd in zijn grootte, complex van natuur, uniek en niet vergelijkbaar met andere cases.  Om de kwaliteit van de case te vergroten wordt een vergelijkbare case onderzocht die met elkaar kunnen worden vergeleken, comparative approach, of zoals Yin het noemt embedded design. Door multiple cases te gebruiken kan het aspect van generalisatie wel plaats vinden, wanneer de resultaten gelijkwaardig zijn. een tweede probleem bij de object van de cases is het limiet van de case. De onderzoekers vinden het geen probleem wanneer er een limiet aan de case zit. Op deze manier kunnen ze hun informatie beperken tot de case. De laatste ambiguïteit met betrekking tot de object van de case study is de manier waarop het wordt geobserveerd. Of het wordt geobserveerd als een geheel of als verschillende aspecten en delen. Veel onderzoekers geven de voorkeur naar het observeren van een case study als geheel. Het kijken naar ‘alles wat er is’ wordt ook wel aangeduid als holism. Swanborn zegt echter dat er veel dingen in een case study niet van toepassing zijn op het onderzoek en daarom kan de case niet als een holism worden bekeken en vormt het ook geen eigenschap van een case study. De holistische onderzoeker mag ook naar bepaalde onderdelen van de case kijken. 2. De onderzoeksmethoden die worden gebruik in een case study. Het is niet geheel duidelijk welke onderzoeksmethoden worden gebruik bij een case study. Sommige zeggen dat arbeidsintensieve methoden worden gebruik, sommige zeggen dan kwalitatieve methoden worden gebruikt en weer andere zeggen dat kwantitatieve methoden worden gebruikt.  Sommige onderzoekers gebruiken hierbij kwalitatieve methodes, kwantitatieve methodes of arbeidsintensieve methodes. Lee is van mening dat een case study ook gebruik mag maken van kwantitatieve methodes zoals loglinear modelling en logistic regression. Ook Yin is voor het gebruik van kwantitatieve methodes. Het kiezen tussen kwalitatieve en kwantitatieve methodes is hetzelfde als het kiezen voor een holistische of reductionistische aanpak. Bij een holistische aanpak wordt gebruik gemaakt van een kwalitatieve methode en bij een reductionistische aanpak wordt gebruik gemaakt van een kwalitatieve methode. Kwantificatie is namelijk gebaseerd op het opsplitsen van de sociale werkelijkheid in kleinere units en variabelen. Een onderzoek bestaat uit research units en observation units. Een research unit is een object waarover de onderzoeker kennis wil vergaren. Observation units zijn subunits, onderdelen, aspecten, gebouwen, stenen, die de onderzoeker observeert om kennis te vergaren over het research unit. Het opsplitsen van research units in observation units is cruciaal voor kwantitatief onderzoek. Wanneer een onderzoek zich richt op een groep met dezelfde eigenschappen of wanneer een onderzoek zich richt op één enkele case, maakt het geen case study. Bij beide onderzoeken kan namelijk gebruik worden gemaakt van een reductionistische aanpak. 3. De wetenschappelijke kwaliteit van de resultaten. Het is vaak het geval dat de onderzoeker een actieve rol speelt binnen de cases en het dus niet van een afstand bekijkt, door deze manier van werken vragen veel onderzoekers zich af of de resultaten dan van goede kwaliteit zijn. sommige hebben vragen bij de interne validiteit. En tot slot de lage generalisatie als gevolg van het feit dat er slechts één case is onderzocht. Je kunt daarom geen uitspraak doen over alle, gelijkwaardige, cases.  bij kwalitatief onderzoek speelt de persoonlijkheid van een onderzoeker een grote rol. Veel onderzoeksinstrumenten zoals observatie semigestructureerde interviews zorgen voor een ‘intiem’ contact tussen de onderzoeker en de participanten. Dit is niet het geval bij de onderzoeksmethoden van kwantitatief onderzoek. De case study als een onderzoeksstrategie De grootste karaktereigenschap van een case study is dat het wordt bekeken vanuit een holistische in plaats van een reductionistische aanpak. Hierbij worden twee vragen beantwoorden. 1) Waar kijkt hij/zij eigen naar? vanuit een holistische aanpak wordt gebruik gemaakt van een tunnel vision. a) Bekijk het object vanuit één enkel punt in de tijd b) Vrijstaand van zijn psychische, sociale en politieke context c) Zonder het bekijken van zijn relatie met andere objecten in de case d) Zonder het bekijken van de functies die het vervult voor het geheel waaruit het deel maakt. Het is van belang dat processen worden onderzocht, zoals patronen.  2)  Hoe kijkt hij/zij ernaar? a) het object bekijken als een geheel Hierbij kijkt de onderzoeker naar de manier waarop het object zich gedraag in zijn natuurlijke context. Er wordt gebruik gemaakt van in situ. Een case kan deel uit maken van een groter geheel en dat groter geheel kan een impact hebben de case. Hierbij moet men dus de tunnel vision niet gebruiken. De derde component voor het vermijden van de tunnel vision is de diachronie manier: Een verklaring die is gebaseerd op gegevens betreffende de ontwikkeling van de taalverschijnselen in de loop der tijden. Het gebruik van verschillende methodes van observatie helpt het voorkomen van tunnel vision, ook wel triangulatie genoemd. Elke methode laat zijn aspect en deel van de sociale werkelijkheid zien. Observaties laten gedragingen zien, maar niet het motief voor deze gedragingen. Dit kan worden onderzocht door interviews. Triangulatie is een belangrijk aspect van de case study. b) een open-eind attitude iteratieve - parallel research strategie in plaats van een linear-serial zoals in een survey of experiment wordt gebruikt. Men kan heen en weer gaan tussen data-analyse en dataverzameling. Er wordt gebruik gemaakt van veel, ongeplande, onderzoeksmethoden. Snowball-sampling: de onderzoeker begint met één case, op basis van die resultaten selecteert hij een volgende case. In een case study worden de resultaten vergelijkend geanalyseerd, terwijl bij kwantitatief onderzoek worden de resultaten met behulp van multivariate analyses en correlaties geanalyseerd. De adequaatheid van een case study Binnen een case study is controleerbaarheid een lastig begrip. De personaliteit van een onderzoeker heeft veel invloed op de case study. Daarnaast switch de onderzoeker regelmatig terug van dataverzameling naar dataanalyse waardoor de controleerbaarheid of het nadoen van dit onderzoek lastig is. De controleerbaarheid en onderzoekeronafhankelijkheid (independence) zijn lastige begrippen en vormen een probleem. Gebrek aan external validiteit en generalisatie bij een case study: De lage mate van generalisatie van een case study is te vinden bij de reductionistische aanpak van redenering. De resultaten van een case study zijn generaliseerbaar naar theoretische proposities, niet naar populaties of universele.  Het is dus geen statische generalisatie: waarbij rechtstreeks een conclusie wordt getrokken over een populatie of universum op basis van de resultaten van een steekproef. Er is sprake van theoretische of analytische generalisatie. Hierbij wordt op basis van waarnemingen en de analyse daarvan een uitspraak van algemene gelding gedaan op theoretische niveau: met andere woorden, wat is waargenomen wordt vertaald naar het theoretische kader of het conceptueel model in de vorm van proposities. ‘a case study is a research strategy that can be qualified as holistic in nature, following an iterative-parallel way of preceding, looking at only a few strategically selected cases, observed in their natural context in an open-ended way, explicitly avoiding tunnel vision, making use of analytical comparison of cases or subcases, and aimed at description and explanation of complex and entangled group attributes, patterns, structures and processes. ‘ Case studies Wat, wanneer en hoe? H1: Wat zijn eigenlijk case studies? 1.1 Inleiding Om sociale verschijnselen te bestuderen gebruiken we allerlei strategieën. Deze kunnen ruwweg onderverdeeld worden in ‘extensieve’ en ‘intensieve’ benaderingen. In een extensieve benadering verzamelen we informatie over relevante eigenschappen van een groot aantal voorbeelden van dat verschijnsel, onderzoek ‘in de breedte’. We trekken daarna onze conclusie door alle informatie bij elkaar te voegen en vervolgens gemiddelden te nemen, correlaties tussen gemeenschappelijke eigenschappen van al die voorbeelden te berekenen en te interpreteren (vb. enquêtes). Intensieve benaderingen zijn een alternatief. Daarbij focust de onderzoeker op slechts één specifieke persoon (of organisatie, of geografische eenheid), of op slechts een handvol van zulke eenheden, om het verschijnsel meer ‘in de diepte’ te kunnen onderzoeken. Elk voorbeeld wordt bestudeerd in zijn eigen specifieke context, en veel gedetailleerde dan in extensief onderzoek. De ontwikkeling van het verschijnsel wordt als het ware op de voet gevolgd (vb. Case Studie). 1.2 Verschijnselen en cases Het onderscheid tussen het te onderzoeken verschijnsel en de case(s) is belangrijk. Dat is al duidelijk als we ons realiseren dat we nooit ‘alle’ aspecten van een case bestuderen; we stellen bepaalde vragen, we gaan zoals in alle onderzoek uit van een probleemstelling. Een case is een afbakening naar tijd, plaats en omstandigheden waarin het verschijnsel bestudeerd wordt. Bedenkt dat een case pas interessant is als deze naar andere cases, met andere woorden naar het overkoepelende verschijnsel, verwijst. Een case is altijd een case van iets. Als je een case studie doet, moet je er dus altijd bij vertellen voor welk verschijnsel je die case als voorbeeld hanteert. Actoren kunnen zich op microniveau, mesoniveau en/of macroniveau bevinden. Bij microniveau gaat het over één persoon, bij mesoniveau over een organisatie en op macroniveau gat het over een lokaal sociaal systeem bijvoorbeeld. Maar bij elk van deze vormen, ook daar waar één actor centraal staat, zijn allerlei andere actoren betrokken: vrijwel niemand leeft volstrekt geïsoleerd en elke organisatie staat in een spanningsveld met andere. Bij case studies meer in het algemeen zijn we natuurlijk ook in causale relaties geïnteresseerd, maar we richten ons daarnaast en in de eerste plaats op gedetailleerde beschrijvingen, op het ontrafelen van een verschijnsel dat zich voordoet in deze specifieke case; we willen zo goed mogelijk het afspelende proces op de voet volgen, waarbij de nadruk ligt op gedragingen, interpretaties en percepties van betrokken in een sociaal proces. We volgen daarbij meestal een explorerende werkwijze. Het is vooraf vaak niet duidelijk welke eigenschappen de case irrelevant en welke relevant zijn voor het bouwen van een algemeen model. 1.4 Methodologisch uitgangspunt In de meeste case studies worden wel getallen gebruikt. Het als dan niet gebruiken van getallen, van kwantificering, kunnen we dus moeilijk als een onderscheidend criterium zien. Intensief en extensief onderzoek vullen elkaar eerder aan dan dat ze elkaar uitsluiten. Er is echter wel een gebrek aan evenwicht tussen deze twee methoden. Dit komt doordat extensief onderzoek zich gemakkelijk leent voor computerverwerking van de data. Maar niet alle problemen kunnen met deze methode worden opgelost. Het is daarom dat, vooral in het praktijkgerichte onderzoek, een onderstroom van intensieve benaderingen steeds belangrijker wordt. In de laatste decennia van de twintigste eeuw krijgt veelal een combinatie van intensief en extensief onderzoek de overhand, mixed-method approach. 1.5 Definitie Bij een case studie ligt het accent op het bestuderen van een verschijnsel bij één eenheid of enkele eenheden. Het onderzoek vindt in de natuurlijk omgeving van de case plaats waarbij de onderzoeker de aandacht richt op het beschrijven en verklaren van processen die zich afspelen bij mensen die in dat proces betrokken zijn. Pas na enige tijd formuleert de onderzoeker de precieze probleemstelling waardoor hij/zij openstaat voor onverwachte aspecten van het verzamelde materiaal. Er kunnen verschillende databronnen worden gebruikt en eventueel kan er in de laatste fase een debat worden gevoerd waarbij de onderzoeker de betrokken uitnodigt om hen te confronteren met de conclusies en hun reactie daarom te vragen. De onderzoeker wil proberen om de ‘neuzen dezelfde kant op te krijgen’. 1.6 Aspecten van de definitie: nadere toelichting Eén case of een beperkt aantal cases; Natuurlijke omgeving: we weten nog niet welke eigenschappen van de omgeving relevant zijn en dus moeten worden meegenomen in het model dat we van het verschijnsel maken en welke eigenschappen weggelaten kunnen worden. Het verschijnsel kan dus nog niet van de context waaruit het voorkomt geïsoleerd worden. Met het bestuderen van een verschijnsel in zijn natuurlijk omgeving willen we zeggen dan de onderzoeker dus niet ‘individuen via een vraaggesprek losrukt uit hun context’ of in een laboratorium met enkele bekende variabelen een bepaald sociaal proces modelleert. Gedurende een periode: gedurende een bepaalde relevante periode waarnemingen gedaan. Incidentele veranderingen in de omgevingen kunnen worden vastgelegd en dit biedt veel voordelen boven een eenmalige survey. Sociale interactie: een centrale plaats wordt ingenomen door het onderzoeken van de multiple realities – de verschillende en soms zelfs tegengestelde visies die betrokken in een sociaal systeem hebben op, en de interpretaties die zij geven van, de gebeurtenissen. Aanvankelijk brede probleemstelling: men stelt zich open voor onverwachte of nieuwe ontdekkingen. Dit leidt tot een explorerende aanpak in het meeste case-onderzoek. Verschillende databronnen; Debat met betrokkenen: soms kenmerken case studies zich doordat de onderzoeker zijn/haar voorlopige beschrijvingen en interpretaties bespreekt met enkele onderzochten, die correcties en aanvullingen kunnen aanbrengen. Men spreekt in dit verband van member checks. 1.7 Een holistische aanpak? Het kernidee achter het holisme is dat verandering van een bepaald element of deel, of score op een variabele, mogelijk de betekenis of de rol van het geheel kan beïnvloeden. Dit dient te waarschuwen tegen: - Een te snel of al te gemakkelijk losmaken van een verschijnsel van de context waarin het zich afspeelt; - De meestal ongefundeerde aanname dat variabelen als los van elkaar staand kunnen worden beschouwd en dat er bijvoorbeeld geen plaats is voor statistische interactie van allerlei onafhankelijke variabelen of voor niet- lineaire verbanden. - Een voorbijgaan aan het feit dat mensen betekenissen geven aan gebeurtenissen, feiten, anderen om hen heen, en dat deze betekenissen uiteenlopen en in de loop van een sociaal proces veranderen. H2: Wanneer doe je een case study? 2.1 Inleiding Bij wetenschappelijk onderzoek moeten we altijd: - Vooraf zo precies mogelijk de vragen formuleren waarop ons onderzoek een antwoord zou moeten geven - Achteraf zo nauwkeurig mogelijk evalueren in hoeverre we met ons onderzoeksproject succes hebben gehad, dat wil zeggen antwoorden op die vragen hebben gevonden. Met andere woorden de probleemstelling staat centraal. Zonder een probleemstelling loopt de onderzoeker kans om eindeloos data te verzamelen en te analyseren zonder ooit een bevredigend eindresultaat te bereiken. Ook is het dan eigenlijk onmogelijk om te beslissen welke onderzoeksstappen nodig zijn en welke niet. Ten slotte is het erg mogelijk om, zonder dat je de vooraf gestelde vragen kent, de resultaten van een onderzoek te evalueren. 2.2 Probleemstellingen voor onderzoek 2.2.1 Algemene vragen over sociale processen Als de aanleiding voor onderzoek wordt gevormd door een of meer algemene, oriënterende vragen over een sociaal proces, ligt een case studie voor de hand. De brede beginvraag leidt meestal geleidelijk tot meer precieze vragen. Centrale aandachtspunten zijn: de kennis, de waarden en normen, de verwachtingen, motieven, opinies, houdingen en gedragingen van betrokken personen. We besteden aandacht aan verschillen hiertussen. Bedenk daarbij wel dat de uitlatingen van de onderzochte personen niet per definitie de ‘uiteindelijke’ waarheden zijn: ze weerspiegelen alleen de zienswijzen van mensen. Ruimschoots aandacht voor wat elke betrokkene te vertellen heeft is kenmerkend voor de meeste case studies in de sociale wetenschappen. Juist ‘onderliggende groepen’ krijgen de mogelijkheid om hun stem te laten horen. Het object van studie is dynamisch. Hierdoor komen we mogelijk op het spoor van variabelen die in eerder extensief onderzoek over het hoofd werden gezien, en we ontdekken mogelijk dat er verschillende wegen bestaan die tot hetzelfde doel, hetzelfde effect, leiden. 2.2.2 Precieze onderzoeksvragen en hypothesen Onderzoeksvragen kunnen op minstens twee manieren van elkaar onderscheiden worden. Eerste criterium: Beschrijvingsproblemen Verklaringsproblemen Voorspellingsproblemen Al deze typen van vragen kunnen in case studies aan de orde komen. Tweede criterium (heeft te maken met de uitgebreidheid van onze kennis over het object): Objectomlijningen: hebben weinig inhoud en zeggen daarom heel weinig, omdat een echte vraag of een echt probleem nog niet wordt gesteld. Brede, oriënterende vragen: weten nog weinig van ons object van onderzoek. Precieze vragen: bij voortbouwen op eerder onderzoek. Hypothesen: als we over eerdere onderzoeksresultaten beschikken, vastgelegd in een theorie of model. 2.2.3 Een explorerende aanpak versus een meer strikte aanpak Een van de redenen voor het overheersende gebruik van brede onderzoeksvragen in case studies is dus dat je aan het begin van het project nog niet een scherp afgebakend model van het te bestuderen verschijnsel hebt. Onze eerste stappen zijn dat ook ‘proberenderwijs’ en we staan klaar om van richting te veranderen al naar gelang wat we vinden. Typerend voor zo’n exploratieve aanpak zijn flexibiliteit en openheid voor het te bestuderen verschijnsel. Exploratie betekent dat de werkelijkheid wordt benaderd zonder veel tevoren vastgelegde ideeën over hoe dat moet gebeuren. Beslissingen tijden het onderzoeksproces worden gebaseerd op wat we eerder vonden; zijpaden zijn geoorloofd. Je probeert uit de data te halen wat erin zit. Flexibiliteit in plaats van alles tevoren vastleggen is het kenmerk van exploratie. Daarom is de kans dat je hierbij relevante aspecten, werkelijk interessante resultaten, ontdekt veel groter dan wanneer je tevoren al je stappen zou vastleggen en je niet zou openstellen voor onverwachte aspecten. Flexibiliteit heeft als nadeel dat als iemand voorlopige onderzoeksresultaten worden bekritiseerd door een collega, de onderzoeker altijd wel een uitweg kan vinden door een nieuwe variabele aan het model toe te voegen en daarmee een verband te verzwakken of te versterken. Op die manier stelt een onderzoeker zich wel erg ‘onkwetsbaar’ voor kritiek op en wordt wetenschappelijke vooruitgang eigenlijk uitgesloten. Een ander nadeel is dat het exploreren veel tijd kost. Onderzoekers hebben de neiging om ermee door te gaan; je bent nooit klaar. Een derde nadeel is dat als gevolg van de voortdurende aanpassingen en veranderingen in de aanpak er veel ruimte is voor de persoonlijke en door de situatie bepaalde voorkeuren en vooroordelen van de onderzoeker. Bij exploratie is de kans op subjectieve vertekeningen van de onderzoeker en de kans op toevalstreffers dan ook veel groter dan onder de strikte aanpak van een toetsend onderzoek. Daarom is de betekenis ofwel de reikwijdte van de resultaten bij case studies beperkter. Om te kunnen generaliseren moet je de resultaten vooralsnog van een vraagteken voorzien. Bij een toetsende aanpak worden alle procedures volledig tevoren vastgelegd en als de onderzoeker daar een keer van afwijkt, moet hij dat zorgvuldig documenteren. Deze striktheid van de methode is nodig om het principe van toetsen te realiseren. Procedures worden neergelegd in een heldere en ondubbelzinnige vorm, die geen ontspanningsroutes toelaat: een hypothese wordt bevestigd of wordt verworpen. Aan een meer toetsende benadering kleeft ook minstens één nadeel: we kunnen feiten die niet verwacht worden compleet over het hoofd zien; we kunnen de rijkdom en bijzondere aspecten van een verschijnsel misschien missen. In toetsend onderzoek doorloop je de onderzoekscyclus slecht één keer en bij explorerend onderzoek daarentegen wordt zo’n cyclus vele malen na elkaar doorlopen, aan de hand van een steeds verbeterde ‘voorlopige oplossing’. 2.3 Bijzondere omstandigheden Bij een ontwerpprobleem doen we vaak kleinschalig onderzoek in de vorm van één of meer case studies (VERDER UITWERKEN). Een volgende rationele reden om met case studies te werken kunnen beperkende omstandigheden zijn bij de onderzoeker zelf of in de context van het te verrichten onderzoek. Soms zou een andere aanpak, zoals een survey of een experiment, methodologisch veel gezonder zijn, maar om redenen van tijd, geld of anderszins wordt een case studie gekozen. Een derde specifieke omstandigheid heeft te maken met de zeldzaamheid van een verschijnsel. Bepaalde verschijnselen komen heel weinig voor. Verder is bij beleidsonderzoek het domein vaak beperkt. Het is daarom niet geschikt voor grootschalig, extensief onderzoek waarvoor een groot aantal eenheden nodig is. 2.4 Verdere overwegingen Voordat we starten met een case studie, moeten nog een paar belangrijke vragen beantwoord worden, vragen die te maken hebben met de bredere context van het toekomstige onderzoek: Zelfstandig onderzoeksproject of bijkomend onderzoek? (2.4.1): Een case kan helemaal op zichzelf staan, maar kan ook deel uitmaken van een bonte mix van onderzoeksvormen- en benaderingen binnen een breed programma. In dit laatste geval spelen case studies vaak een rol als vooronderzoek: mede op basis van resultaten van een case studie wordt een extensief onderzoek (een survey) opgezet en uitgevoerd. Maar een case studie kan ook als naonderzoek fungeren: nadat via een survey een verschijnsel ‘in breedte’ is afgebakend, wordt het via een of enkele cases in de diepte onderzocht. Ook op deze manier is een case studie aanvullend. Fundamenteel onderzoek of praktijkgericht onderzoek? (2.4.2): - - Fundamenteel onderzoek wordt gestuurd door probleemstellingen die gericht zijn op het ontwikkelen, het illustreren of het evalueren van algemene theorieën. Met praktijkgericht onderzoek daarentegen streven we naar kennis die gebruikt kan worden bij het oplossen van praktische problemen. Generaliseren naar een groter domein of alleen geïnteresseerd in de werkelijk bestudeerde case(s)? (2.4.3): Pars pro toto: een deel dat staat voor een groter geheel. Wanneer een case wordt onderzocht om over een grote verzameling iets te kunnen zeggen. Cases op zich: beperken tot de onderzochte case(s) Domein wel of niet afgebakend door een cliënt? 2.5 Samenvatting Dus, case studies zijn de belangrijkste onderzoeksstrategie onder een of meer van de volgende omstandigheden: Als het onmogelijk is om het verschijnsel te isoleren van de context of het te stimuleren; Als het verschijnsel slechts sporadisch optreedt; Bij ontwerpproblemen; Als het de bedoeling is om onderzoek en beïnvloeding te combineren. Case studies worden meestal als ‘gemakkelijker’ gezien dan het doen van een experiment of het organiseren van een survey. Die gedachte is onjuist. Juist omdat er bij een case studie weinig tevoren wordt vastgesteld en er geen routineprocedures zijn voorgeschreven, is een case studie vooral voor onderzoekers die moeilijk zonder duidelijke richtlijnen kunnen werken een lastige opgave. Naast methodologisch vernuft zijn ook sociale sensitiviteit, heel goede communicatieve vaardigheden en creativiteit noodzakelijk. Aanpassingsvermogen en de bereidheid om als de situatie daarom vraagt van richting te veranderen en de ambitie om snel te leren zijn eveneens eigenschappen van een goede case studie onderzoeker. H3: Hoe kies je cases? 3.1 Geen keuzevrijheid Ontoegankelijkheid van het domein kan leiden tot de keuze van slechts een of twee cases. Aantal situaties waarbij de onderzoeker allang blij is wanneer één case kan worden gevonden: “onthullende case”: de onderzoeker heeft toegang bij unieke uitzondering tot een bepaalde groep, situatie of persoon. Unieke case. Maar meestal hebben we te maken met een omvangrijk domein en staan we voor de vraag hoe en hoeveel cases geselecteerd moeten worden. In principe is dan altijd en eerst de vraag aan de orde wat het domein precies is. 3.2 De afbakening van het domein Domein is de verzameling van alle eenheden waarin het verschijnsel dat we willen bestuderen zich afspeelt. Eerst moet de onderzoeker dus nadenken over de mogelijke grenzen van het domein en daarna pas een of meerder cases kiezen. In fundamenteel onderzoek staat het de onderzoeker in principe vrij om het domein in te perken of uit te breiden. In praktijkgericht onderzoek wordt het domein echter meestal bepaald door de cliënt die het onderzoek laat afnemen. Het domein is daarbij vaak scherp begrensd en de onderzoeker heeft zich daar maar aan te houden. 3.3 Het kiezen van cases 1. Hoeveel cases kiezen we? Het liefst gaan we voor een meervoudige case studie (vergroot betrouwbaarheid). In praktijk wordt dit bepaald door financiële mogelijkheden. 2. Hoe gaan we praktisch te werk bij het vinden van cases? - Het trekken van een steekproef uit een groslijst, een ‘kader’. - Het gebruik van experts, sleutelpersonen, autoriteiten ‘in het veld’, om een lijst van mogelijkecases op te stellen. - Gebruik van netwerk- of sneeuwbalsteekproeven om via enkele op soortgelijke cases te komen. - Open oproepen via de (sociale) media 3. Wanneer geselecteerd wordt, op welke criteria selecteren we dan? Pragmatische criteria: afstand, tijd, geld, toevallig contacten. Inhoudelijke criteria: Homogeen op de onafhankelijke variabele (3.6.1) Bij voorkeur bij het begin van een onderzoeksprogramma. Heterogeen op de onafhankelijke variabele (3.6.2) Vooral bij het op zoek gaan naar de grenzen van de theorie. Op de afhankelijke variabele (3.6.3) Bij onderzoek naar effecten af te raden; bij onderzoek naar causale processen bruikbaar. Selectie op de causale relatie (3.6.4) Vooral als het gaat om selectie van ‘extreme of afwijkende cases’ kan dit nuttig zijn voor theorieontwikkeling. Selectie van cases in verschillende fasen van ontwikkeling (3.6.5) Oké, maar zijn cohorten vergelijkbaar? Selectie van kritische cases (3.6.6) Kan de efficiency ten goede komen in de vorm van het werken met de ‘meest waarschijnlijke’ of ‘meest onwaarschijnlijke’ case. 3.4 Random selectie Vaak is er juist bij verschijnselen die een case onderzoeker bezighouden geen steekproefkader aanwezig. Het heeft dus weinig zin om als hoofdcriterium het principe van aselecte trekking te hanteren: wel kan het een aanvullend criterium zijn wanneer we op andere gronden een groslijst van mogelijk in aanmerking komende cases hebben opgesteld. Concluderend: het trekken van een random steekproef is bij case studies niet een belangrijke vorm van steekproeftrekking. 3.5 Pragmatische gronden Convience sample = gemakssteekproef. Quota-sampling = het ontwerpen van bepaalde categorieën die vervolgens tot een bepaald aantal worden gevuld. 3.6 Inhoudelijke gronden Ten slotte volgen dan selectiecriteria die te maken hebben met eigenschappen van de cases zelf. Daarbij moeten we twee algemene uitganspunten in het oog houden, wat ook verder die inhoudelijke criteria mogen zijn. ‘ -In de eerste plaats zoeken we naar informatieve cases, cases waarvan we veronderstellen dat ze ons voldoende informatie over het verschijnsel kunnen bieden. -Ten tweede geven we normaliter de voorkeur aan representatieve cases. Dat wil zeggen cases die niet extreem zijn, maar die een redelijke middenpositie innemen op variabelen waarvan we denken dat die relevant zijn. We spreken ook wel over “typische cases”. Theoretical sampling: afwezigheid van een van tevoren vastgestelde systematiek; de keuze van een volgende case hangt af van onze interpretatie van de bevindingen met de voorafgaande case(opportunistische/adhocsteekproef). 3.6.1 Homogeen op de onafhankelijke variabele(n) (extra info) Het is in het algemeen aan te raden om, wanneer het model of de theorie nog nieuw en weinig getoetst is – dan wel geheel afwezig is – variantie tussen cases te minimaliseren. Minimalisering van variantie betekent eigenlijk dat we het onderzoek van één case repliceren bij een andere case die lijkt op de eerste en waarvan we hetzelfde verwachten. Het is een verstandige eerste optie als we nog weinig op het terrein thuis zijn. Pas op voor case-contaminatie: als we context waarin de cases vallen niet varieert kun je niks zeggen over de rol van die context. Er bestaat ook de mogelijkheid van waarnemingstechnische contaminatie: het gevaar dat waarnemingen bij de ene case die bij de andere beïnvloeden, vooral indien één en dezelfde onderzoeker één en hetzelfde meetinstrument gebruikt. Ook moeten we in het oog houden dat bij het kiezen van extra cases uit een homogene deelverzameling de wet van de afnemende meeropbrengst een rol speelt: het toevoegen van een volgende case voegt steeds minder nieuwe kennis toe. 3.7 Prospectief en retrospectief onderzoek In een prospectief ontwerp heeft de veronderstelde oorzaak nog niet gewerkt: op de mogelijke gevolgvariabelen zijn nog geen scores bekend. De onderzoeker start daarom met het selecteren van cases die contrasteren op de onafhankelijke variabele. Maar nu komt het probleem: als het tijdsverloop tussen een oorzaak en het optreden van een gevolg lang is, is een prospectief onderzoek niet zo handig. Deze vorm van onderzoek is vooral zinvol als de tijdsduur tussen oorzaak en het optreden van gevolgen niet te lang is. In een retrospectief onderzoek heeft de invloed van de oorzaak op de gevolgvariabele al plaatsgevonden. Om deze vorm van onderzoek te kunnen doen, moeten er data over het verledenaanwezig zijn. 2 manieren: retrospectieve cohortenbenadering (selecteren op onafhankelijk variabelen: nadelen steekproefuitval + handelen onderzoeker kan vertekend zijn) & case/controlbenadering (selecteren op de afhankelijke variabelen). H4: Welke gegevens verzamel je? 4.1 Inleiding De gebruikelijke databronnen bij een case study worden gevormd door documenten, interviews met sleutelpersonen of informanten, interviews met members en ten slotte (al dan niet participerende) observatie. Het hoeft niet noodzakelijk participerende observatie te zijn, dat wil zeggen een vorm van waarneming waarbij de onderzoeker een tijdlang een of andere functionele rol vervult in het onderzochte sociale systeem. Observaties kunnen ook gedaan worden tijdens een bezoek van de onderzoeker die als zodanig bekend is aan ‘het veld’ en ook tijdens interviews. Een tevoren opgesteld protocol leidt ertoe dat de centrale probleemstelling niet uit het oog wordt verloren, dat de onderzoeker bij verschillende cases vergelijkbare vraagstellingen hanteert en zorgt ervoor dat hij bij optreden van meer dan één onderzoeker de subjectiviteit tot een minimum wordt beperkt. Maar: bij een explorerende benadering is dat maar tot op zekere hoogte mogelijk: veel beslissingen worden ‘al doende’ genomen. Mede daarom is het volgen van een protocol slecht één kant van de medaille. In de praktijk wijkt elke onderzoeker wel eens af van een tevoren opgesteld protocol. Daarom is het ook belangrijk dat een onderzoeker het eigen gedrag op een of andere manier vastlegt, bijvoorbeeld in een dagboek. ‘ Een dagboek geeft de gelegenheid om maximaal te profiteren van onverwachte wendingen in het onderzoek, van de ervaringen met de onderzochte cases, om daarmee het protocol voor volgende cases aan te passen. Een protocol en het dagboek helpen ons met twee centrale doeleinden bij dataverzameling te bereiken. Het eerste is het creëren van een case study database; de tweede is het vastleggen van alle schakels tussen waarnemingen en conclusies. Het dient ook een ander doel, namelijk voor de onderzoeker zelf. Als je gedwongen wordt nog eens stil te staan bij je gedrag als onderzoeker, vraagt een goede onderzoeker zich af of er nog meer empirisch materiaal gevonden is dat de betreffende bewering kan staven, of nog beter, kan weerleggen. 4.2 Data en Theorieën In de onderzoekspraktijk komen we het begrip theorie op verschillende manieren tegen: In het project is helemaal geen sprake van theorie (praktijkgericht onderzoek). Het project is gericht op de constructie van theorie (fundamenteel onderzoek). In het project wordt een bestaande theorie gebruikt als kader om een verschijnsel te beschrijven en te verklaren (praktijkgericht onderzoek). In een fundamenteel onderzoeksproject wordt een theorie getoetst, of zoals we tegenwoordig liever zeggen geëvalueerd. 4.3 Een toepassing van theorie geen tentamenstof! 4.4 Samenvatting Bij case studie worden in het algemeen data verkregen via documenten uit het veld, via informantenen via observatie, in deze volgorde. In een case study worden individuele personen, die verschillende groepen van belanghebbende vertegenwoordigen, intensief bestudeerd. Door hun onderlinge relaties en de ontwikkeling daarvan gedetailleerd weer te geven, kunnen we een beeld krijgen van een zich afspelend proces in een organisatie, en wellicht suggesties doen voor verandering. H5: Causaliteit en generaliseerbaarheid 5.1 Inleiding: kwaliteitscriteria We noemen eerst nog eens de criteria die gebruikt worden om de kwaliteit van onderzoek te beoordelen: 1. Begripsvaliditeit: meten de tests, instrumenten, vragen en waarnemingen de concepten die je wilt meten? 2. Betrouwbaarheid: zijn de meetresultaten stabiel in de tijd en onafhankelijk van de onderzoeker(s) en van allerlei eigenschappen van de omgeving die er niet toe zouden moeten doen? 3. Interne of causale validiteit: relatie werkelijk causaal? Of resulteren de correlaties uit andere factoren? Hand af van de kwaliteit van gedane onderzoek, homogeniteit van de resultaten, van het aantal datapunten en zeker van het aantal onderzochte cases. 4. Externe validiteit of generaliseerbaarheid: kunnen de resultaten van jouw onderzoeksproject gegeneraliseerd worden naar de bedoelde populaties of domeinen? 5. Bruikbaarheid (voor opdrachtgever). Kritiek op case studies is hoofdzakelijk gericht op twee aspecten: op de interne validiteit, met andere woorden de geloofwaardigheid van causale verklaringen, en op de externe validiteit: het generalisatieprobleem. 5.2 Het verklaringsprobleem geen tentamenstof! 5.3 De externe validiteit, of generaliseerbaarheid, van de resultaten We constateerden al dat nu eenmaal vrijwel nooit voldoende cases onderzocht kunnen worden om, op de wijze waarop dit in extensief onderzoek gebeurt, vanuit de steekproef van cases via de inductieve statistiek betrouwbare conclusies over het bedoelde domein van cases te kunnen formuleren. Dat is ook niet de bedoeling. Een case study is een experiment om een theorie te toetsen. Het begrip toetsen wordt hier wat al te gemakkelijk gebruikt, maar we kunnen natuurlijk wel onderzoeken of de resultaten van een case study onder verschillende omstandigheden dezelfde blijken. Als dat het geval blijkt te zijn, kunnen we daarmee het potentiële domein vergroten. (Zie HC sheets). H6: Hoe kun je de zeggingskracht van een case study vergroten? 6.1 Inleiding: vrijheidsgraden Het begrip “vrijheid” betekent zoiets als de vrijheid van de data om van een theorie af te wijken. Hoe meer de verzamelde data van een theorie kunnen afwijken, des te sterker die theorie staat als die data er toch allemaal in blijken te passen. Hoe meer data worden toegevoegd in de analyse, des te sneller daalt het aantal in aanmerking komende theorieën waarmee de data in overeenstemming zijn. Uiteindelijk zoeken we naar een configuratie van datapunten die uniek is voor één theorie en die dus alle andere theorieën uitsluit. En pas daarmee komt de wetenschap verder. Het vergroten van het aantal datapunten kan op verschillende manieren: Vergroting van het aantal meetmomenten (6.2): Introductie van subeenheden (6.3): multi-level analyse. Vergroting van het aantal cases (6.4): minder plaats voor toevalsvariantie. Gebruik van diverse dataverzamelingsmethoden (6.5): triangulatie. Inzetten van diverse onderzoekers (6.6) Voorleggen aan betrokkenen (6.7): member checking. Uitbreiding van de eisen die vanuit de theorie aan de data gesteld worden. Diverse mogelijkheden: Maak zo mogelijk gebruik van verschillende, concurrerende, theorieën, en leidt uit elk der theorieën een aantal voorspellingen af (6.8); Vergroot het aantal voorspellingen vanuit elke theorie (6.8); Preciseer de voorspellingen (6.8). H7: analyse + H8 moeilijkheden en mogelijkheden Deze hoofdstukken gaan vooral over statistiek. Hier is verder in de hoorcolleges geen aandacht aan besteed. Gebruik voor een compleet beeld van Case studies ook de HC sheets van Methoden van Dataverzameling.

Help

Categories: 1

0 Replies to “Samenvatting Swanborn Case Study”

Leave a comment

L'indirizzo email non verrà pubblicato. I campi obbligatori sono contrassegnati *